Bij de naam Honey Harper denk je toch eerst aan een vrouw. En niet aan een in Londen wonende Amerikaanse jongeman. Ook de hoes van Starmaker laat een beetje in het midden of we hier nu met een man of vrouw te maken hebben. Die twijfel is weg zodra je Honey Harper (echte naam: Will Fussell) hoort zingen. Misschien nog niet in de openingssong Green Shadows waarin de zangstem in het begin sterk vervormd is. Daardoor niet het sterkste nummer van het album, zacht uitgedrukt. Maar daarna is het wel feest, hoor. In een interview gaf Fussell meer…



Best wel een beetje vergelijkbaar met de onderstaand besproken band Rookie, klinkt het eveneens ongetitelde album (Baby Robot Records) van de band
Een rookie is in Amerikaanse sporttermen een nieuwkomer. Dat gaat ook prima op voor de ongetitelde plaat (Bloodshot Records) van de uit Chicago opererende band
Wanneer het precies was weet ik niet meer, maar het moet toch al zeker een jaar of 15 geleden zijn dat ik bij toeval ontdekte dat er bij In The Woods in, toen nog Hollandse Rading, optredens georganiseerd werden van mijn nieuwe helden. Amerikaanse singer-songwriters die in de stijl en geest van Guy Clark en Townes van Zandt muziek maakten. En dat vlak bij huis. Vanaf toen werd ik een geregeld
Family Business (eigen beheer) van de in Nashville gevestigde
Wat te doen als een van je favoriete artiesten een teleurstellend album uitbrengt? Manmoedig slikken en op zoek gaan naar een alternatief. Die stap nam ik toen LP5 van John Moreland uitkwam. Het is een album dat tot verdeeldheid leidt bij de fans. Je vindt ‘m prachtig of je vindt het “niks”. Ik hoor bij de laatste groep. Hoe vaak ik LP5 ook draaide, hij beroerde me nauwelijks. LP5 suggereerde dat er dus nog vier eerdere albums waren. Big Bad Luv’, High On Tulsa Heat en In The Throes kende ik, die hadden me juist enthousiast gemaakt over
Nathaniel Rateliff
Eerlijk gezegd dacht ik dat
Nog eens een plaatje uit Portugal bespreken? Alleen als het de moeite waard is toch? Okee! The Gambler Song (Sony) van
Op donderdagavond 13 februari traden Kelsey Waldon en Ian Noe op in de tuinzaal van het Tolhuis (ook wel Paradiso Noord genoemd) in Amsterdam. Naarmate de avond vorderde werd steeds duidelijker dat de geest van John Prine aanwezig was. Allereerst natuurlijk omdat de in een vaal spijkerpak gestoken Kelsey Waldon haar albums tegenwoordig uitbrengt op het Oh Boy-label van Prine, een feit dat in bijna elke albumrecensie naar voren komt. Waldon 