Het wordt pas wat met zijn Del Fuegos als Dan Zanes in 1981 verhuist van New Hampshire naar Boston, Massachusetts. Zanes, zanger/gitarist en net twintig, vormt met bassist Tom Lloyd en een studiegenoot op drums een rock-’n-rolltrio, dat met alweer een andere drummer in 1982 de eerste single, ‘I Can’t Sleep’ uitbrengt. Zo hier en daar – Robert Plant – weten The Del Fuegos de interesse te wekken. De sound van de band, een mengvorm van rockabilly en rootsrock, gebaseerd op een warme belangstelling voor Eddie Cochran, Buddy Holly en The Everly Brothers, komt pas met de toetreding in 1983 van drummer meer…

Mark Heard is altijd een grote onbekende gebleven. Zijn dood in 1992, vanwege een falend hart, heeft de publieke opinie nauwelijks bereikt. Zijn muzikale carriere evenmin. Dat kan wellicht worden toegeschreven aan het feit dat Mark Heard een CCM-singer-songwriter was; een troubadour die zich richtte op het gelovige deel van de Amerikaanse bevolking. CCM staat voor Contemporary Christian Music; geloof speelt een dominante rol.
Hij schreef “Daydream Believer” voor The Monkees en was met The Kingston Trio belangrijk in de Folk Revival van de jaren zestig. Maar bovenal was hij een van de grote singer-songwriters die voortkwamen uit dat turbulente decennium. California Bloodlines is zijn meesterwerk, een album vol intense folk- en countryrock met diepe wortels in het land van zijn voorvaderen.
Geheimzinnige verhalen in een setting van spookachtige, krakende country-noir: Jim White’s Wrong-Eyed Jesus! is in 1997 een tamelijk spectaculair debuut. Jim White – een samentrekking van de namen van twee dierbare vrienden, werkelijke naam: Mike Pratt – is een zonderling die de bagage van een getroebleerd leven met zich mee torst. Wrong-Eyed Jesus! is zijn verlossing. White werd geboren in San Diego, Californië, groeide op in Pensecola, Florida, confronteerde zijn demonen en hield zich in leven als model voor de Europese Vogue en als taxichauffeur in New York. Hij hield zich evenzeer bezig met de liefde als met
Het is niet onder een gelukkig gesternte dat Gregg Allmans soloalbum tot stand komt, beslist niet. The Allman Brothers zijn in 1971 een bijzonder succesvolle band, maar op 29 oktober 1971 slaat het noodlot toe: Duane Allman verongelukt in zijn woonplaats Macon, Georgia met zijn motor en is op slag dood. Nog bizarder is de dood van Allman Brothers-bassist Berry Oakley op 11 november 1972: hij vindt de dood onder nagenoeg identieke omstandigheden als Duane Allman. Gregg Allman is geschokt tot op het bot, maar beseft dat hij het Allman Brothers-erfgoed moet continueren. Terwijl hij met
Het is geen gekke gedachte Marah te betitelen als de hoop van de rock-‘n-roll, al is het buiten redelijke twijfel dat de broers Bielanko dat niet hebben kunnen waarmaken. Ongeïnspireerde, fout geproduceerde en behoudende platen heeft Marah afgeleverd, maar dat geldt beslist niet voor het album waarop de wereldwijde lofuitingen zijn gebaseerd: Kids In Philly. Een hemelbestormend rockalbum en tegelijk een levendige kroniek van het rauwe leven in Philadelphia, Pennsylvania. De toekomst ligt dan open voor Marah. Als Dave Bielanko halverwege de jaren
Zo’n beetje veertig jaar na dato, ja, het is eeuwig zonde, komt dit stomende, zwetende concert op de markt. En tot mijn grote genoegen. De opnamen stammen uit september 1971, maar hebben echt zo’n 40 jaar bij Warner Bros. op de plank gelegen alvorens hét reissue-label Rhino ze aan de wereld prijsgeeft. That on the Road Look is een opzwepende en kokendhete live-dubbelaar van Tony Joe White en zijn geoliede band; een registratie van een concert in Europa, vermoedelijk in The Royal Albert Hall in Londen. Niemand weet het zeker. Ook Tony Joe White zelf niet.
In 1972 reist Al Kooper af naar Atlanta, Georgia om een producersklus te klaren in de studio van Buddy Buie in Doraville. Kooper raakt zo begeesterd door sfeer down south, dat hij – met behulp van MCA Records – een eigen label opricht dat opkomende, lokale muziek – The Allman Brothers breken net door – onder de aandacht brengt: Sounds of the South Records. De eerste band die Kooper tekent is Mose Jones uit Atlanta, de tweede – op voorspraak van Mose Jones – Lynyrd Skynyrd uit Jacksonville, Florida. Al Kooper beschouwt Lynyrd Skynyrd als zijn Rolling Stones en Mose Jones als zijn Beatles. Een rake
Jim Ford, the mighty Jim Ford is een cultheld die in 1969 zijn enige album uitbracht: Harlan County. Ford mislukte als countrysoul singer-songwriter, maar was wel aan de andere kant van de oceaan de grootste inspiratiebron van Nick Lowe en diens Brinsley Schwarz. Maar er waren in Engeland nog grotere Ford-fans: de psychedelische beatgroep The Koobas.
Het eerste wat je van de mighty Jim Ford te horen krijgt als je de naald in de groef zet is een soort van stemverklaring; een verantwoording van waar hij vandaan komt:

