P.J.M. Bond heeft een punt. In een tijdperk waarin algoritmes en AI de muziekindustrie steeds verder in een wurggreep houden, koos de, inmiddels Rotterdamse, singer-songwriter voor de meest analoge aanpak denkbaar: een band die de nummers voor het eerst hoorde in de studio, live opgenomen in één ruimte, maximaal een paar takes per song. Geen overdubs, geen correcties achteraf. Het resultaat is Coyote (King of the Island), zijn derde plaat en eerste voor het Excelsior Supports-label. De filosofie is sympathiek. De uitvoering is dat grotendeels ook — al is “grotendeels” hier het sleutelwoord. Want Bond laveert op dit album tussen twee smaken. Soms kiest hij voor rootsy, fiddle-gedragen americana, waarbij Tijmen Veelenturf op fiddle en Theo Sieben op gitaar, banjo en mandoline het geheel een warm, organisch karakter geven. Op die momenten werkt de live-aanpak het best: je hoort de muzikanten naar elkaar luisteren, zoeken, landen. Maar even zo vaak slaat Bond de rustiger, meer introspectieve richting in, met akoestische singer-songwritersongs die doen denken aan James Taylor in zijn meest bedachtzame gedaante. Beide kanten staan hem, maar de verbinding tussen die twee werelden blijft soms wat vrijblijvend. Je vraagt je af welke Bond de echte is.
Dat gevoel wordt versterkt door zijn stem. Bond zingt onnadrukkelijk — weloverwogen zo, dat is duidelijk — maar het pakt niet altijd uit in zijn voordeel. Zijn teksten zijn literair bewust en zorgvuldig, vol verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur die hij zo koestert. Maar een nummer als Steinbeck, Charley & Rocinante vraagt om een stem die je meesleurt; Bond nodigt je vriendelijk uit en laat je vervolgens een beetje aan je lot over. Coyote is geen slechte plaat. Het is een eerlijke en ambachtelijke plaat, van iemand die duidelijk weet wat hij wil zeggen. Maar soms is weten wat je wil zeggen nog niet genoeg.




Reageren
»Nog geen reacties.
RSS feed for comments on this post.
Plaats een reactie