Toen het programma voor het driedaagse Stockholm Roots festival bekend werd, dacht ik meteen: daar moet ik heen! Rattlesnake Milk, Nick Lowe, Leon Majcen, John R. Miller, Sunny War — allemaal artiesten die ik graag (nog eens) zou willen meemaken. Toen later ook Judy Blank, Local Terrain en Ole Kirkeng werden toegevoegd (die laatste helaas ter vervanging van Rattlesnake Milk, dat om medische redenen de Europese tour afzegde), stond het besluit vast: Stockholm, here I come.
De stad kende ik nog niet, wat een reden te meer was om de Zweedse hoofdstad te bezoeken. Het festival vond plaats in de lokale poptempel Debaser Hornstull Strand, gelegen aan het water op Södermalm, met twee zalen en twee restaurants — waarvan één op een ponton in de Liljeholmsviken.
Donderdag en vrijdag
Donderdag geland, hotel ingecheckt en het Nationalmuseum bezocht, met onder meer een aantal mooie Rembrandts. Omdat het festival elke dag rond vier uur begint, is er ’s ochtends volop tijd om Stockholm te verkennen. Vrijdagochtend gefietst over Djurgården, nog een museum bezocht en daarna richting Debaser.
Leon Majcen is al begonnen als we binnenkomen. Hij introduceert zichzelf als geboren in Tsjechië uit Bosnisch-Kroatische ouders, maar opgegroeid in Florida — en klinkt ook zo Amerikaans als maar kan. Het is zijn eerste optreden in Zweden. “Dichter bij mijn roots!” Majcen maakte indruk met zijn titelloze derde plaat; mooie songs, die alleen met akoestische gitaar wel wat kaal klinken. Wat onverlet laat dat hij een schitterende, warme stem heeft.
Daarna is het op een klein buitenpodium de beurt aan het lokale duo Local Terrain, dat hier dus op ehh… lokaal terrein speelt: Johannes Vidén met akoestische gitaar en Max Lindahl op trompet. Verrassend genoeg blijven de mooie songs van hun debuutplaat (die we hier eerder bespraken) in deze setting gewoon overeind. Een gespeeld nieuw nummer doet ook uitzien naar een volgende plaat.
Aaron Lee Tasjan speelt eveneens solo op akoestische gitaar. De man is een ras-performer die het publiek waarschijnlijk ook zonder instrument zou weten in te pakken. Hij steekt een loftrompet af over het festival: “Wat is er nou mooier dan op zo’n festival kennismaken met iets nieuws, iets dat je leven kan verrijken?” En met een brede grijns: “Ik heb trouwens nog wat albums te koop bij de merchtafel!” Songs die voorbijkomen zijn onder meer het aan zijn vader opgedragen I Love America Better Than You (dat onlangs behoorlijk wat stof deed opwaaien in zijn thuisland), 12 Bar Blues en Sixty Six Dollar Blues.
Emily Scott Robinson realiseert zich waarschijnlijk dat haar soloset wel wat variatie kan gebruiken. Na een paar songs vraagt ze de Finse Silja Rautamaa, bekend van de Iron Sisters (zie recensie), om haar vocaal bij te staan. Een goede zet, die de op zich al mooie songs van de innemende Robinson extra diepte geeft. Ook doordat ze de nummers uitgebreid introduceert — zoals het emotionele Time Traveler, over haar dementerende oma — krijgt het optreden extra lading.
In het kleine zaaltje hebben John R. Miller en band (drums, gitaar, fiddle) inmiddels hun plaatsen op het podium ingenomen, Miller op een stoeltje in het midden met de rest eromheen. Miller heeft deze avond geen zin in praatjes: let the music do the talking. Veel nummers van zijn pas verschenen album The Great Unknowing, maar ook zijn “klassieker” Shenandoah Shakedown. Het is inmiddels loeiheet in de zaal, ondanks de op volle kracht draaiende ventilatoren — het publiek deert het weinig. Het was in elk geval goed voor de bieromzet.
Zaterdag
De dag begint met een optreden van de altijd sterk presterende Otis Gibbs. Wat heeft die man toch een heerlijke, raspende stem — en mooie verhalen, bijvoorbeeld over Sputnik Monroe, de Amerikaanse blanke worstelaar uit Memphis die in de shows steevast de schurk speelde. In zijn vrije tijd was hij vaak te vinden op Beale Street, waar hij bevriend raakte met de lokale zwarte bluesartiesten. Die bezochten zijn worstelwedstrijden, maar kregen daarbij de slechtste plaatsen toegewezen. Monroe kreeg het echter voor elkaar dat zij, net als de andere betalende bezoekers, op normale plekken tussen het witte publiek konden zitten — waardoor worstelen in het Zuiden de eerste sport werd met een niet-gesegregeerd publiek.
In de andere zaal speelt Sunny War, gitaarvirtuoos met een schitterende stem. Ze wordt, net als drie jaar geleden op Ramblin’ Roots, ondersteund door drummer Allen Eckert, die vaak ook de songs aankondigt — Sunny War blijft zelf een verlegen performer. Fantastisch weer, zowel haar gitaarspel als de combinatie met Eckerts drums. Ze speelt alledrie haar baby-songs – Baby Bitch, Cry Baby en No One Calls Me Baby– want 63 procent van alle grote hits hebben het woord baby in de titel, aldus de zangeres.
Fijn is ook dat er in het weekend een marktje met foodstalletjes staat op het straatje voor Debaser. Het optreden van Zandi Holup slaan we over om daar de honger te stillen. Er blijkt zelfs een drijvende openbare sauna in het water te liggen, al moet je daar wel een tijdslot voor reserveren.
Terug naar de kleine zaal voor Judy Blank. Een raar idee om haar voor het eerst live te zien op 1100 kilometer van huis, terwijl ze ook in Utrecht heeft gewoond. Voor dit optreden is ze met haar drie bandleden — onder wie gitarist/toetsenist Stijn Post van Muy Like — vanuit Nederland in de auto van haar ouders naar Stockholm gereden. Niet alle instrumenten konden mee, dus er moest voor dit optreden wat ter plekke geleend worden. Blank is een innemende artiest die precies weet hoe ze het publiek om haar vinger windt; haar springerige countrypop valt dan ook in goede aarde.
Daarna is het de beurt aan Susto String Band, een zeskoppig gezelschap rond frontman Justin Osborne, ontstaan uit de bands SUSTO en Holler Choir: tweemaal akoestische gitaar, fiddle, banjo, mandoline en bas. Vijf van de zes bandleden zingen, maar Osborne is de belangrijkste stem. Leuke introducties bij de songs, waaronder de klassieker Mama, Don’t Let Your Boys Become Cowboys. Echt een mooie festivalact die leven in de brouwerij brengt.
Dat geldt eigenlijk ook voor Ole Kirkeng (spreek uit als Oele Sjierkeng — we horen je, Herman Kuiphof), die onlangs indruk maakte met het album Cowboy Lie Detector Machine. De in een ruim pak gestoken Noor werd begeleid door een drummer, een bassist en een geweldige gitarist/pedal-steelspeler, Øyvind Kløve Kjernlie. De ironische songs, zoals Bare Minimum, gingen erin als koek. Van de praatjes tussendoor begreep ik natuurlijk niets, maar de muziek des te beter.
Zondag
Na een rustige zondagochtendwandeling met een bezoek aan de Thielska Galleriet (een grote verzameling schilderijen van Edvard Munch en andere Scandinavische schilders), is het aan Lee Bains om de derde festivaldag te openen — dit keer zonder zijn vaste begeleiders The Glory Fires. In plaats daarvan zou hij optreden met Collin Halliburton van The Roseline, maar diens gitaar bleek kapot. Daarom spelen de twee na elkaar op een geleende gitaar van de lokale singer-songwriter Daniel Hollow. Eerst Bains, die met veel vuur zijn strijdliederen over de veertigurige werkweek en There’s A Bomb in Gilead het publiek inslingert.
Bij Halliburton gaat het rustiger aan toe; mooi hoe zijn songs, onder meer van het nieuwe album 86 Gumption (recensie volgt nog), ook in deze akoestische solosetting overeind blijven.
Bij Uncle Lucius gaat het weer vol gas. Het Texaanse sextet laat de dagen van Lynyrd Skynyrd herleven: drie gitaren, bas, drums en toetsen/accordeon. Het levert een mooie mix op van southern rock, rootsrock en bluesrock, met de krachtige stem van Kevin Galloway als middelpunt. Wat een lekkere liveband!
Nick Lowe is de laatste artiest van het festival. Solo, en dat is een beetje jammer — de set was meer dan prima, maar miste de intensiteit van het optreden dat Lowe met Los Straightjackets in 2022 gaf in de Amsterdamse Tolhuistuin. Heerlijke nummers wel: Cruel to Be Kind natuurlijk, Heart, Love Starvation, het zalige I Live on a Battlefield. Uit het publiek wordt om Breaking Glass geroepen, maar dat weigert hij: “Wake up, granddad”, roept de inmiddels zelf 77-jarige Lowe. House for Sale is aangrijpend, de Bee Gees-cover Heartbreaker erg leuk en natuurlijk zingt hij ook (What’s So Funny ‘Bout) Peace, Love and Understanding. Fijn om nog eens mee te maken.
En dan valt de nacht, en zitten de drie dagen top “americana & beyond” — waarmee het festival afficheert — er weer op.
Dit smaakt naar meer, en Stockholm zeker ook. Mocht je ooit besluiten om Stockholm en dit festival te bezoeken: vergeet dan ook niet langs te gaan bij gezellige café Harvest Home van Jaap van Aalst. Lekker bier!




Reageren
»Nog geen reacties.
RSS feed for comments on this post.
Plaats een reactie