Tony Rice (overleden in 2020) zelf vond Tony Rice (geremasterd en opnieuw uitgebracht door Craft Recordings), zijn derde soloalbum na zijn vertrek uit J.D. Crowe’s superband New South, verschrikkelijk. Hij kon er, volgens zijn biograaf Tim Stafford, gewoon niet naar luisteren, net zoals James Taylor moest kotsen toen in een restaurant Sweet Baby James werd gedraaid. Niettemin wordt Tony Rice, oorspronkelijk uitgebracht in 1977, als een absoluut meesterwerk beschouwd. (Hetzelfde geldt uiteraard voor Sweet Baby James). Het album is een mijlpaal in de stroming die wel progressieve bluegrass wordt genoemd. Deze werd ingezet door mensen als J.D. Crowe (banjo) en David Grisman (mandoline). Al gauw verschenen ook briljante jonge gasten als dobrospeler Jerry Douglas en gitarist Tony Rice op het toneel. Ze doen allemaal mee op Tony Rice, plus nog Tony’s broer Larry op mandoline, Darol Anger en Richard Greene op fiddle en Todd Phillips op bas. De tracklist bevat alles wat de moderne bluegrass (ook nu, bijna een halve eeuw later nog) zo appetijtelijk maakt: een uitgewogen mix van traditionele tearjerkers als Banks Of The Ohio, Hills Of Roane Country, Mr. Engineer en Way Downtown tot duizelingwekkend snelle instrumentals als Plastic Banana, Farewell Blues en Big Mon. En overal dat warme, vloeiende snarenwerk van Tony Rice, op dit album voor het eerst op de van zijn grote voorbeeld Clarence White (in 1974 verongelukt op de motor) geërfde Martin D-28 Herringbone uit 1935.




Reageren
»Nog geen reacties.
RSS feed for comments on this post.
Plaats een reactie