De vier bandleden van Dialup Ghost doen hun uiterste best om niet te klinken zoals al die andere artiesten uit Nashville. En dat lukt heel aardig op Donkey Howdy (eigen beheer), het vijfde album van de band die de countryliedjes van frontman Russ Finn (zang, gitaar) bij voorkeur transformeert tot poppunk. Grappig genoeg gaat het in die songs geregeld over de weerzin die ze voelen bij de drukte van de stad. ‘Baby, let’s move to the country’, klinkt het op Bigger Household. Daar kunnen ze tomaten en nog veel meer uit de eigen tuin eten, een prettig idee met de alsmaar stijgende prijzen in de Walmart. Het vorige album had de titel May You Live Forever In Cowboy Heaven, waarop al duidelijk werd dat deze band zich helemaal ter linkerzijde van de alt-country beweegt. Op Music City Mockingbird nemen ze collega’s op de hak: ‘Replicating Telecasters and cowboy tears / He can cluck the clanking of a couple of beers / Humming him some Tom T. Hall and Johnny Cash / Puttin’ on an accent singing Broadway trash / He’s imitating that Nashville sound / He’s in my yard and I hope he hangs around’. Dat laatste zinnetje maakt wel duidelijk dat ze stiekem toch wel houden van al die lieden met aspiraties. Het nummer klinkt als slaapwandelen in een ijzerwarenwinkel. Soot Sprite is een stuk sneller, waarna Great Vacation rommelige samenzang heeft als in een dronken bui. Op The Giving And Taking Of Shade duiken wat blazers op. Denk bij dit alles aan Pavement en het eerder dit jaar besproken Florry.




Reageren
»Nog geen reacties.
RSS feed for comments on this post.
Plaats een reactie