The Doobie Brothers hebben bij het begin van de jaren zeventig de perfecte Westcoast-sound. Gebaseerd op melodieuze gitaren en schitterende harmoniezang staan The Doobies – slang voor marihuanasigaret – niet alleen garant voor kwaliteit, maar ook voor wereldhits. Opgericht in 1970 in San Jose, California, en protegés van Moby Grape’s Skip Spence, trekken The Doobies langs de bikersfestivals van Noord California. Twee jaar later heeft de band, geleid door Tom Johnston en Pat Simmons, zijn eerste internationale hit: Listen To the Music. Het album Toulouse Street betekent dan ook een grootse doorbraak – evenals de volgende single Jesus Is Just Allright. Dat succes wordt nog verder uitgebouwd met het derde album, opnieuw geproduceerd door Ted Templeman, dat niet alleen de mooiste en meest gevarieerde plaat van The Doobies is, maar ook wederom grote, grote hits genereert.
The Captain and Me is Westcoast-rock pur sang; mengt The Byrds met The Eagles; Crosby, Stills & Nash met The Allman Brothers. The Captain and Me is niet alleen een countryrock-klassieker, maar ook een generator van hits: Natural Thing, Long Train Runnin’ en ‘China Grove‘ – de beide laatste Nederlandse top 10-hits in 1973. Alle dragen het herkenbare Doobie-stempel van een laidback-groove, heldere, dubbele ritmegitaren en fraaie Westcoast-harmonieën. De overige liedjes leunen enerzijds op zuidelijke countrysoul en swamprock, zoals Dark Eyed Cajun Woman, South City Midnight Lady – met op pedalsteel Jeff Skunk Baxter – en Ukiah. Anderzijds is Without You een stevige, maar melodieuze rocker; Clear As the Driven Snow akoestisch en swingend; en brengt de opzwepende afsluiter The Captain and Me alle Doobie-kenmerken nog eens magnifiek samen. The Captain and Me zal in de loop der jaren miljoenen keren over de toonbank gaan en The Doobie Brothers blijven, hun reputatie bevestigend, gedurende de jaren zeventig ferm aan de weg timmeren. Halverwege het decennium wordt zanger Tom Johnston helaas ingeruild voor de gladde Michael McDonald, wat dan ook een eind maakt aan de klassieke Doobie-sound.
The Captain and Me. Warner Bros., 1973. Natural Thing│Long Train Runnin‘│ China Groove│Dark Eyed Cajun Woman│Clear As the Driven Snow│Without You│South City Midnight Lady│Evil Woman│Busted Down Around O’Conolly Corners│Ukiah│The Captain and Me




05/10/2026 Permalink
“Toulouse Street”, “Captain” en “What Were Once Vices Are Now Habits” (1972-1974) vormen een fantastische triologie. Alle albums kennen veel variatie. Van “Vices” stamt de single “Black Water”. In de VS is het een nummer 1 single maar het stond oorspronkelijk op de B-kant van “Another Park, Another Sunday”. Het is een compleet a-typische hitsingle. Akoestisch, vrijwel unplugged, viool, bluegrass, bluesy en a-capella. Toch spreekt de song veel mensen aan. Het wordt als single compleet onverwacht een millionseller.
The Doobies hebben altijd veel stijlen gespeeld. Jeff “Skunk” Baxter vroeg Michael McDonald die hij nog kende uit zijn Steely Dan periode. Ja, McDonald klinkt voor sommige mensen glad. Je moet er van houden. Voor mij is het de beste blue-eyed soul zanger. Hij klinkt als Ray Charles en is daarnaast een fantastische toetsenman. Baxter nodigde McDonald uit omdat zijn zang goed past bij zijn jazzy gitaarstijl.
Baxter is behoorlijk excentriek, als gitarist maar ook als “techwizzard” want later ontwierp hij mee als consultant aan defensieraketsystemen voor NASA. Tegelijkertijd had hij nog steeds die rock’n roll verschijning. Lang haar, grote snor en nog steeds een geweldige gitarist die zelfs live met Steely Dan mocht spelen en ook nu (77 jaar) nog optredens doet. Baxter speelt ook de magistrale gitaarsolo in RikkiDontLoseThatNumer van SteelyDan.
Ted Templeman is één van de beste producers in de popwereld. Zijn producties komen altijd fantastisch uit de speakers. Hij was producer van Van Halen, Little Feat, Captain Beefheart en Van Morrison. Ooit begon hij als drummer maar werd gitarist van Harpers Bizarre “Feelin’Groovy” (1967). Het vermelden waard is verder dat The Doobies, net als The Allmans, altijd met twee drummers speelden.
September 1999 speelde The Doobies op het “FatFry Festival” in Aptos, een plaatsje in de buurt van Santa Cruz met The Radiators en ook Ray Wylie Hubbard (“There Ain’t No Last Train To Amsterdam”… volgens Ray. Het publiek moest hard lachen om die uitspraak). The Doobies speelde een thuiswedstrijd. Het concert opende met luid motorengeronk en de elektrische gitaren namen die herrie snel over. Het was lekkere stevige muziek en op de festivalweide was het heel zonnig, gezellig én goed toeven. Een mooie afsluiting van een vakantie. De volgende morgen weer op het vliegtuig naar Amsterdam.