Voor Nieuwsblad van het Noorden interviewde ik in 1987 samen met collega Max Palfenier de onlangs op 82-jarige leeftijd overleden Jan Donkers. De journalist, auteur, radiomaker en kenner van Amerikaanse popmuziek was toen 44 en net terug van een jaar in Austin, Texas, waar hij Nederlandse literatuur doceerde aan de universiteit. Eenmaal per week dook hij daar een radiostudio in om Gonzo Radio op te nemen, dat elke woensdagavond door de VPRO werd uitgezonden. In het interview in een Amsterdams café had hij het al over rock-‘n-roll voorbij de midlifecrisis, precies de titel van een in 2015 verschenen boek van Donkers. Het gesprek is weergegeven als een lange monoloog, die een hele pagina in beslag nam in de wekelijkse cultuurbijlage Vrijdag die die keer geheel over het thema reizen ging.
“Het wennen hier gaat nogal langzaam. Het is in alle opzichten een koude douche. Een jaar weg zijn doet iets met je. Ik heb geleerd, veel meegemaakt en ik ben veranderd. Het is heel vervelend om direct weer met een raar soort Nederlandse betweterigheid en gezelligheid geconfronteerd te worden. Daar kan ik ontzettend slecht tegen. Die grenzeloze, doodslaande gezelligheid hier. Mensen die behaaglijk tegen elkaar aanschurken, eindeloos blijven praten over van alles en nog wat en dat als hun doel in het leven zien. Het verschijnsel bruin café. Er zijn mensen die niets anders meer doen dan een beetje bevestiging van hun vooroordelen zoeken bij steeds dezelfde mensen achter steeds dezelfde tap. Ook dat zelfgenoegzame. Het is nu dat jullie het vragen, maar over het algemeen is men helemaal niet geïnteresseerd in wat een jaar Amerika met je doet. Mensen weten allang wat ze van Amerika vinden. Dat beeld willen ze niet verstoren.”
“Dat gevoel van ontheemdheid, dat blijf je houden. Zoals Marnix Gijsen in De Vleespotten van Egypte schreef: ‘Je hebt geen anker meer’. Je vanzelfsprekendheden zijn verdwenen. Ik maak nu een heel vervelende tijd van aanpassing door. Maar uiteindelijk moet het sterker maken. Het klinkt wat dramatisch, maar zo voel ik het wel.”
“In Amerika had ik een contract van een jaar om te doceren aan de universiteit van Austin, Texas. Ik was writer in residence op het Germanic Language Department, een afdeling waar al een Nederlands programma bestond. Als schrijver, als tweede docent, kon je naar eigen inzicht een aanvullend programma ontwikkelen.”
“Ik heb veel poëzie met studenten gelezen. Slauerhoff bijvoorbeeld viel in goede aarde. Bloem echter ging total mis. Als groot bewonderaar van Bloem zat ik eens gedichten met veel vuur te lezen. Ieder gedicht gaat weer over de dood, de dood en nog eens de dood. Het is een en al doodsverlangen en dat leverde nul respons op. Het wat heel warm, de ramen stonden open en je hoorde de vogels en dan het je dus zo’n klas met een dozijn kinderen van een jaar of twintig in spijkerbroeken en gymschoentjes en dan zit je op zo’n mooie dag een walm van doodsverlangen over ze uit te ademen. Ze begrepen echt niet waar ik het over had.”
“In het tweede semester heb ik hoofdzakelijk over mijn eigen stokpaardje gedoceerd; het Amerika-beeld in de Nederlandse literatuur. Vroman, Couperus, Marnix Gijsen vooral. Die heb ik gelezen met ze en verder mijn eigen eigenwijze gebabbel daarover ten beste gegeven. Over het algemeen is wat over Amerika in de Nederlandse literatuur is verschenen nogal negatief. Het is een onderwerp dat ik niet graag in een paar zinnen samenvat. Ik heb er een lezing van een uur over gehouden, ik heb er het boek Amerika, Amerika over geschreven en nog vind ik het moeilijk.”
“Amerikanen zijn op een bijna perverse manier nieuwsgierig naar wat Europeanen van ze vinden. What do you folks think about us? Kan ik niks over zeggen, antwoord ik dan. Dat is een soort generalisatie die ik weiger te maken. Nederlanders willen echter, en nu ben ik toch aan het generaliseren, een soort monolithisch beeld van een land er op na houden. Ze hebben er moeite mee om de literatuur van een land goed te vinden, terwijl ze de politiek van dat land afkeuren. Eigenlijk willen ze het allemaal onder één noemer gooien. Het is mij meerdere malen gebeurd dat ik in een discussie verzeild raakte over Amerikaanse literatuur of schilderkunst en voor je het wist voelde je je in een positie gedrongen, dat je het Amerikaanse optreden in Vietnam moest verdedigen. Daar pas ik voor.”
“Het is voor driekwart zeker dat ik volgend jaar weer naar Amerika terugga. Wanneer het zover is, dan stop ik ook met mijn uitzendingen voor de VPRO. Je moet gewoon een keer ophouden. Ik zal wel altijd blijven verdedigen dat er rock-’n-roll is voorbij de midlifecrisis, maar ik weet niet of ik degene ben die dat moet uitdragen. Ruim twintig jaar geleden begon ik stukjes te schrijven over muziek. In de loop van die tijd ben ik er drie, vier keer mee opgehouden. Door wat voor toevalligheid dan ook ben ik er steeds weer op teruggekomen. En dan dacht ik weer: oh, wat is muziek toch heerlijk, zo’n geweldig referentiepunt voor je stemmingen. Dan denk ik: ik houd er nooit mee op. Maar het leven bestaat uit afstand doen af en toe. Afstand doen van je jeugd, afstand doen van ruzies, afstand doen van partners, afstand doen – als je ouder wordt – van nog veel meer illusies. Je wordt pas echt volwassen als je dat ook leert te doen. Mensen worden een beetje pathetic als ze blijven vastklampen aan dat, wat ze altijd hebben gedaan. Ik had iets vergelijkbaars met mijn voetbalteam. Toen ik naar Amerika ging moest ik daar afscheid van nemen. Dat vond ik vreselijk, echt een amputatie. Maar de rock-’n-roll zal ik nooit verloochenen. Ik ga echt niet, zoals een heleboel mensen doen, Mantovani compleet op cd kopen omdat je de veertig bent gepasseerd.”
“In Amerika is zoveel muziek. Ieder staat, iedere stad heeft zijn lokale scene met zijn eigen labels, zijn eigen clubs, zijn eigen muzikanten. Daar komen heel interessante dingen uit voort. Wat echt een ontdekking voor me is geweest is dat in het hele land, maar vooral toch in het zuiden, een gigantische rhythm-and-blues-scene bestaat. Mijn smaak is ook heel erg naar de zwarte richting opgeschoven het laatste jaar. Dat verwacht je misschien niet, omdat mensen Texas nog altijd associëren met cowboyhoeden. Onzin, de muziek is er pikzwart. Of die nu door blanken wordt gemaakt of niet. Het is vooral plezierig te ontdekken dat het allemaal wortelt in een cultuur. Het is hùn muziek, met name in Texas. Voor ons heeft het iets exotisch. Logisch, het is onze muziek niet. Daar ademen de mensen het vanaf hun geboorte in. Je kent die verhalen wel. Kids van elf, twaalf jaar, die stiekem als pa en ma op bed liggen het slaapkamerraam uitklimmen om twee straten verderop voor de deur naar livemuziek te luisteren. Wij zaten dan gekluisterd aan Radio Luxemburg. Of dat je jeugdervaring is of dat je naar Radio Luxemburg zat te luisteren, waar je alleen de geluiden hoorde en daar je eigen fantasieën en beelden van het land bij moest invullen, dat is een ongelofelijk essentieel verschil. De muziek is voor veel van die Amerikanen hun stijl van leven, hun wereld, hun ervaring. Het zijn gewoon van die moeilijke blanke jongens, die er niet over nadenken hoe ze zich moeten kleden, in tegenstelling tot veel Engelse bands. Die zijn vaak meer bezig met hun uiterlijk dan met hun muziek. Alleen daarom al is Amerikaanse muziek mij oneindig veel sympathieker, omdat de verschijning zo authentiek is. Amerikaanse bands zijn ook professioneler. Amerikanen komen naar de studio, vragen hoe lang ze de tijd hebben, hoeveel nummers ze moeten spelen en of er een interview is gepland. Ze doen hun best, ze weten dat het promotie is. Engelsen daarentegen komen bij voorkeur te laat, zijn meestal stoned en beschouwen de pers als het establishment.”
“Austin is muzikaal gesproken een van de interessantste steden in Amerika. Samen met het in Minnesota gelegen Minneapolis. Die laatste stad heeft een duidelijk eigen sound. Hüsker Dü, Replacements, Soul Asylum, ze hebben alle die zelfde drive. Als je in die stad bent, dan begrijp je dat ook wel. Het zijn daar van die noeste Scandinaviërs, die in de winter hun kachels flink opstoken en met eenzelfde soort gebaar ook hun versterkers harder zetten. Austin is gedifferentieerder. Daar bestaat van alles naast elkaar, een ware smeltkroes.”
“Natuurlijk is er veel muziek waar je overheen groeit. Jerry Jeff Walker, dat is een factotum geworden. Dat geldt ook voor Willie Nelson. Die mensen worden karikaturen van zichzelf. Je hebt het aan de southern rock gezien, die in de voetsporen trad van The Allman Brothers. Volop verveling. De ene na de andere band met cowboyhoeden en blikjes bier. Charlie Daniels: the south is gonna do it again en dat met die schandalige Confederate flag. Vervelende mensen, vervelende muziek. Maar ook nieuwere muzikanten als Dwight Yoakam en Steve Earle, ik houd er niet van. Dwight Yoakam is Buck Owens. Why make another Buck Owens? Als je iemand als stijlvoorbeeld neemt, mijn zegen heb je. Maar doe er wat mee. Ik hoor niet wat Dwight Yoakam er aan toevoegt, behalve een veel te nauwe broek dragen. En Steve Earle, dat is een Springsteen-kloon. Ook weer een geleende problematiek, idées reçues. Wat hij doet, dat heb ik allemaal al van andere mensen gehoord.”
“Toch breken ze in Amerika door, net als in Nederland trouwens. Dat had je vroeger al bij Little Feat en Randy Newman. Nederland is cultureel gesproken de 51ste staat van Amerika. Dat geldt niet alleen voor muziek, maar voor alles. Nederland is van alle niet-Engelssprekende landen het land waar proportioneel de meeste Engelstalige boeken worden gekocht. Dat is een gegeven. Maar soms lijkt het wel alsof we daar een soort wrevel tegenover willen stellen. Zo van, ja, maar we zijn toch geen echte Amerikanen.”
“Godzijdank begint de culturele uitwisseling tussen Texas en Nederland nu eindelijk een beetje op gang te komen. De verwachtingen waren hoog, maar men koos Texas op een moment dat het nog de welvarendste staat van Amerika was. Toen de plannen eenmaal gepresenteerd werden, was net de oliemarkt in elkaar gedonderd, waardoor de kans op co-sponsoring van Texaanse bedrijven vel kleiner werd.”
“Waar men zich ook op verkeken heeft, is dat als je Texas van het noordwesten naar het zuidoosten doorkruist, je niet in een dag thuis bent. Je neemt een aantal steden als richtgebied, maar als je in Dallas iets organiseert dan moet je niet denken dat ze er in Houston iets van horen. Het punt is: hoe verdeel je de aandacht. Houston, Dallas en de hoofdstad Austin zijn de belangrijkste steden. Daarnaast heb je bijvoorbeeld ook nog San Antonio. Een heel interessante stad, groter dan Austin.”
“De eerste activiteiten zijn inmiddels ontplooid. We hebben het filmfestival gehad en dit najaar komet er een theaterprogramma in diverse steden. Verder zijn er plannen om volgend voorjaar een aantal Texaanse bands naar Nederland te halen. Een avond in Amsterdam, een avond in Groningen, een avond in Utrecht, Nijmegen of Eindhoven. Omgekeerd zullen dan ook een paar Nederlandse gropen naar Amerika gaan. Als de co-sponsoring nu wat professioneler ter hand wordt genomen dan moet het lukken. Ik benijd de organisatoren niet. Op zo’n universiteit van Austin, daar moet je met zoveel andere activiteiten concurreren. Als je ziet wat er elke dag op de campus aan lezingen, forums, films, discussies, toneelstukken en muziek wordt georganiseerd, dat is gigantisch. En zelfs als je de tijd hebt gehad en de moeite hebt gedaan om aan jouw project geweldige publiciteit te geven, dan nog moet je opboksen tegen een Koreaanse dichter, een Italiaans filmfestival, een Braziliaanse theatergroep en nog een dozijn andere dingen. Ga er maar aanstaan. Dat onderschatten Nederlanders zo. Als Nederlanders de grens overgaan dan denken ze dat de wereld op ze zit te wachten. Onzin. Niemand zit op je te wachten.”
Op de foto van Peter Hageman staat Jan Donkers als presentator op het podium van De Oosterpoort in Groningen tijdens het festival TakeRoot in 2014.




Reageren
»Nog geen reacties.
RSS feed for comments on this post.
Plaats een reactie