
Het zijn totaal onbekende mannen, Rick Dinsmore en Ernie Payne, die niettemin in 1973 een tamelijk prestigieus album uitbrengen. Rick Dinsmore is in 1941 geboren in Brooklyn, New York, verhuist in zijn jeugd naar San Francisco, Californië, studeert daar af als historicus en, nu singer-songwriter, zoekt de muziekindustrie op in Los Angeles. Ook Ernie Payne, geboren in 1945 in Acadia Parish, Louisiana, bevindt zich begin jaren zeventig in Los Angeles. Als singer-songwriters komen Dinsmore en Payne onder contract bij het gerenommeerde United Artists Records, welk label maar besluit om meer…

In de weken die eindigen op 18 en 25 oktober 1969 staat er een advertentie in de Britse Melody Maker die afkomstig is van Famepushers Ltd. Achter dit bedrijf schuilen de zakenlui Edward Moulton en Stephen Warwick, entrepeneurs die actief zijn in de filmindustrie en zich verder bezighouden met de exploitatie van een vakantie-eiland in de monding van de Thames, de organisatie van het spectaculairste bridgetoernooi ooit en voor de rest met alles waar geld mee valt te verdienen. Dus zijn Moulton en Warwick via een advertentie op zoek naar een jonge band met songschrijverskwaliteiten.
De eerste kennismaking met Lowell George kan zomaar Cheek to Cheek zijn, de single die in 1979 werkelijk een soort van zomerhit werd en zomaar in de top 10 van de Nederlandse top 40 belandde. Maar er zit een diepere laag achter. Lowell George, de man met de kleine voeten, heeft dan net Little Feat verlaten op jacht naar een succesvolle solocarrière, maar al binnen vier maanden na de release van zijn solo-album Thanks I’ll Eat It Here overlijdt George aan een hartaanval als gevolg van een overdosis heroïne.
Eric Kaz, uit Brooklyn, New York, zet zijn eerste schreden op het muzikale pad in The Blues Magoos, een psychedelische band die al in 1966 een hit had met We Ain’t Got Nothin’ Yet. Als Kaz erbij komt loopt de band op zijn eind, waarna hij doorschuift naar Children Of Paradise, dat vervolgens omgedoopt wordt tot Bear.
De debuutelpee van Rich Mountain Tower klinkt als een klok. Dat komt omdat deze – tamelijk revolutionair voor 1971 – opgenomen is in quadrofonie, dubbel stereo zeg maar. Revolutionair indertijd misschien dit quadrofonie, maar het heeft niemand vooruit geholpen – en Rich Mountain Tower zeker niet.
Het is niet gek als je Charlie Daniels, uit Wilmington, North Carolina, nooit zonder cowboyhoed gezien hebt, want een heel grote liefhebber van westerns. Daarnaast hield de jonge Charlie eveneens van gospel, bluegrass en rhythm-and-blues, waar later jazz bijkwam. Zodoende ontwikkelde hij zijn talent op de gitaar, banjo, mandoline en fiddle.
George Whitsell is eind jaren zestig gitarist in The Rockets, tot hij tot de ontdekking komt dat The Rockets al anderhalf jaar niet meer bestaan. Zijn band is namelijk gekaapt door Neil Young.
Countryrock, op het juiste moment en tijd – 1974 – maar wel uit Sunderland, aan de kust van noordoost Engeland, en tóch zoiets als Barefoot Jerry of James Gang. In die sfeer. Het wonderlijke daarnaast is dat John Elstar (zang, akoestische gitaar, mondharmonica), Ray Minhinnett (lead-, slide en twaalfsnarige gitaar), Jim Hall (keyboards, piano), John Gordon (bas, gitaar) en Ian Byron (drums) zomaar onder contract komen bij het grote EMI Records, en dat zij in één jaar twee elpees uitbrengen: het zelfgetitelde Highway en Smoking At the Edges. De laatste is net aan de betere, want losser, zelfverzekerder
Bij het verschijnen van The Beau Brummels wordt geschreven dat het een van de allerbeste reünie-albums is. Tamelijk vanuit het niets brengt Warner Bros. in april 1975 namelijk het zesde album uit van The Beau Brummels – in de originele bezetting.

