Een speeldoos, de wind, kerkklokken, een vertrekkende stoomtrein, schoten, gitaren, drums, een fluitende man, trompetten, woordloos zingende mannen die zich The Revolver Men’s Choir noemen, een knallende zweep, geyeehaw, een eenzame mondharmonica, twangende gitaren, een operazangeres, een angstkreet, nog meer wind, regen, bliksem, een saloonpiano, uitgelaten joelende cafébezoekers, meer geyeehaw, indianengeschreeuw, voetstappen… Ziet u de beelden al? Devil In A Boot (Revolver Records) van het uit Portland, meer…



Ze omschrijven het zelf als een combinatie van Kenny Rogers en Pixies en van een band met de naam
Zo, dat openings- en tegelijk titelnummer knalt er lekker in; dwarse rammelrock, gelardeerd met wat weirde tempowisselingen. Clock Hands Strangle geeft gelijk een prima visitekaartje af. Dat niveau kan het vijftal uit Florida op Distaccati (
Benjamin Winter
Zeer succesvol in thuisland Canada – hij behaalde nogal wat prijzen met zijn eerdere cd’s – mikt Corb Lund nu op een internationale doorbraak met een wereldwijde release van Losin’ Lately Gambler (
The Starline Rhythm Boys
Vince Melamed
Artiesten uit Scandinavië zijn meesters in het kopiëren. Meer dan eens weten ze ons compleet te verrassen met platen die uit een ander tijdperk lijken te komen. Prachtige westcoastprodukties of knappe altcountry, het lijkt wel of die bands uit Zweden, Noorwegen, Finland en Denemarken altijd alles goed doen. Hoe zit dat met
Tamelijk geniaal van Rick Rubin om The Red Devils op te nemen in de tent waar hij ze het eerst zag. In de King King dus, een voormalig Chinees restaurant in West Hollywood, Californië. In 1988, als de club zijn deuren opent, zijn de muzikanten die The Red Devils zullen vormen al van partij. Ze worden de huisband van de King King en op de vaste maandagavond is het bal. De spil van de band is Lester Butler, een punkrocker die hartstochtelijk verslingerd is aan de blues en zijn blueshelden. Butler is een virtuoos op de mondharmonica, heeft het ding
De associatie van de countryrock-outlaw met elektrische gitaar met de revolverhelden van het Wilde Westen is een voor de hand liggende en vaak gebruikte metafoor; het verst doorgevoerd door The Eagles met Desperado.
Het is even stil geweest; stil bij het Rotterdamse collectief rond David Pino ofwel El Pino & the Volunteers. Een gat van zo’n tweeënenhalf jaar zit er tussen het fraaie debuut Molten City (2006) –de ep’s These Are Not The Days (2001) & Cougar (2005) niet meegerekend- en de langverwachte opvolger die nu in schappen van de betere ‘platenzaken’ ligt: The Long-Lost Art of Becoming Invisible.
Stijlvol als The White Stripes in het rood, wit, zwart presenteren
De hoes van The Long-lost Art Of Becoming Invisible (Excelsior Recordings) nodigt uit tot speculaties. Is het reptiel op de hoes een kameleon, en zo ja, staat deze dan symbool voor de muzikale gedaanteverwisseling van
Soms hoor je al na 10 seconden dat het kut is. Maar bij Taped-together Stories van
Een banjo en een baritonsaxofoon, het is een bijzondere combinatie van instrumenten, al helemaal op een plaat van een countryartiest. Het gewaagde experiment van de uit Nashville, Tennessee, afkomstige
Alles straalt klasse uit op deze topplaat. Dat begint al met de schitterende hoes van Tall Texas Tales (Inbred Records), een profielfoto in duotoon van
Nashville’s gone Hollywood en daarom is het aan
Sittin’ On Top Of The World begint als een aardige rocksong, maar ergens halverwege tekent zich een probleem af.
Hij heeft de reputatie een miserabel man te zijn en zegt van zichzelf dat hij gedoemd is. Hij kan goed gemutst zijn, zo ervoer ik jaren geleden toen ik hem telefonisch interviewde, maar zich ook als een compleet gestoorde gedragen – ook dat maakte ik met hem mee.
Het begint met overstuurde gitaren en als de rest van de band invalt gaat dat over in een fijne galop. Een goed begin van Beauty Here (Mohonoho) van de uit Northampton, Massachusetts, afkomstige
In 1969 vormen Gib Gilbeau (gitaar, fiddle), John Beland (gitaar, piano), Stan Pratt (drums) en Thad Maxwell (bas) de begeleidingsband van Linda Ronstadt. Gilbeau heeft echter zelf ook een platencontract, en als Gilbeau en de drie anderen buiten lá Ronstadt om studio-opnamen plannen in Albequerque, New Mexico, besluiten ze een eigen band te formeren: Swampwater. In niet minder dan twee dagen nemen ze een heel album op, dat in 1970 verschijnt op het kleine King-label – en direct over het hoofd wordt gezien. Dat is niet terecht,
Er zijn nogal wat waardeloze liedjes over Elvis Presley gemaakt. En er zijn ook erg goede liedjes over de man gemaakt. C’mon Elvis past in de laatste categorie. Het staat op YellowHammers (Up Records), de vierde en titelloze cd van
Carolinacana noemen ze het. Dat betekent volgens de jongens van
Ja, ik tel goed: Abelay Hotel is al het negende album dat de Schotse band
In een bestendige lijn die loopt via Amerikanen als Bon Iver en Fleet Foxes, en een talentvolle Britse band als Mumford & Sons treffen we aan het Nederlandse uiteinde
U mag het mij verwijten, maar ik had nog nooit van
Typisch Brits is dat toch, zingen over een zondag die te snel voorbij gaat. Het uit West-Sussex afkomstige
Muziek zou je niet moeten beluisteren via gecomprimeerde mp3-bestanden uit kleine speakertjes die je in je oor moet stoppen, maar gewoon over een goede stereo-installatie. Aldus
Tamelijk verrast ben ik door deze nieuwe cd van
Het is een interessante stelling die Kluun opwerpt in zijn essay God Is Gek – De Dictatuur Van Atheïsme. En hij heeft natuurlijk gelijk, geloven is allesbehalve hip. Daarom is het zo aardig om kennis te nemen van de muziek van A. Bogs, een New Yorker die zich daar helemaal niets van aantrekt. Mean Old World (eigen beheer) van 