Zulke fraaie houten huizen als in Zweden hebben we hier in Nederland niet of nauwelijks. Jammer, want zo’n bouwvallige omgeving inspireert tot ramshackle americana van het soort dat ook wel in kelders (Basement Tapes) wordt gemaakt. Daniel Norgren nam Wooh Dang (Superpuma Records/RedEye/V2) op in zo’n oud huis met krakende vloeren. In Zweden dus, maar je zou zweren dat het ergens in de backwoods deep down south in Amerika tot stand was gekomen. Want wat een prachtige plaat is dit. Norgren pakt een New Orleans-ritme om meer…




De naweeën van verkeerd voedsel, en vervolgens gaandeweg enig technisch gedoe ondervinden, het bleek uiteindelijk niet voldoende om Nicole Atkins uit haar evenwicht te brengen. De uit Neptune, New Jersey, afkomstige Atkins opende overigens unplugged, met Neptune City. En dat was zeker een mooie, intense opmaat voor een optreden dat ondanks de probleempjes zeer de moeite waard was.
Er is nauwelijks verschil tussen de oude blues- en countryliedjes en het eigen werk van
Wanneer Texas Piano Man (New West) het debuut van
Een viool strijkt vol levenslust langs de melodie van Finding Natalie. Dat is een fijne, opgewekte popdeun met precies het juiste bitterzoete aroma om interessant te blijven. Het heeft wel iets van een band als Sneaky Feelings of iets anders op het Nieuw-Zeelandse label Flying Nun. Dat slechts ter indicatie, want 
Wat een lieve man is die
De Italiaan
Het is ergens in de eerste maanden van 1985. Ik sta in de muziekbibliotheek in Utrecht en pak daar de LP Don’t Make It Easy For Me van Earl Thomas Conley uit de rekken. Geen idee waarom; ik ken de man niet. Het moet iets aan de hoes zijn geweest dat me deed besluiten de LP te lenen. Of misschien was het dat er verder niets van mijn gading was. Hoe dan ook, thuis op mijn studentenkamer draai ik de plaat en word gevloerd. Het is iets in de stem van deze countryzanger die me keer op keer het album doet opzetten. Natuurlijk kopieer ik de 10 nummers op een cassettebandje. In de bieb blijken ze geen andere
Na uitstekende albums van Charles Wesley Godwin en John R. Miller is dit alweer een prachtplaat van een artiest uit West Virginia. Who I Am (Mountain Soul Records) van
Nog maar een rondje festivals doen? Te beginnen met Ramblin’ Roots in TivoliVredenburg in Utrecht. Het duurt nog even maar op 19 oktober zullen daar optreden: Grayson Capps, Dave Alvin & Jimmie Dale Gilmore, the North Missisippi Allstars, Frazey Ford, Carter Sampson, Nathan Bell, Rod Picott, Chance McCoy, Arlan Feiles, Johhny Irion Trio, Bonnie Bishop, Kerri Powers en Sway Wild (Dave McGraw & Mandy Fer).
Een bijzonder stel, 
De
Roots of Heaven – Heartland – Down By The River
Van 1968 tot en met 1972 nam
Ken je een archetypischer beeld van de VS dan de 
Matt Andersen
Een allemachtig lekker plaatje uit Mississippi, dit Bloody Noses & Roses (Dial Back Sound/Sonic Rendezvous) van
Na zijn debuutplaat This Ain’t New York vinden we
Het zal ergens eind jaren tachtig geweest zijn: een optreden van de Paisley Undergroud- formatie Green On Red. Plaats van handeling: LantarenVenster te Rotterdam; op de oude locatie nog. Wat mij nog bijstaat is in ieder geval de zeer aanschouwelijke uitvoering van de song Pills & Booze. Met Dan Stuart in de hoofdrol. We zijn nu pakweg zo’n 30 jaar verder, en Dan Stuart is
Er is eigenlijk al te veel gezegd en geschreven over de stem van Colter Wall. Geen gesprek, recensie of aankondiging over de Canadees gaat voorbij zonder een referentie aan zijn bariton. Het gaat er eigenlijk altijd over hoe bijzonder het is dat een 23-jarige prairiezoon zo oprecht als een gepokte en gemazelde outlaw-ster uit de jaren ‘60 kan klinken.
Authentiek en amateuristisch liggen dicht bij elkaar op Gravel And Gold (eigen beheer) van
De liedjes op Orphans (Continental Song City/Pauper Sky Records) waren afgevallen voor eerdere albums. Afgevallen, maar niet afgekeurd. Nou ja, hooguit voor het moment, destijds. De verstotelingen drongen zich op aan
Deze recensie heeft een aanloopje dat ik even uit de doeken moet doen. Een paar weken geleden was ik op vakantie in de Schotse hooglanden. Op de laatste avond van die week trad Anton O’Donnell op in de plaatselijke pub. Tussen de covers van o.a. Bob Dylan en Neil Young speelde hij ook eigen nummers. Die waren zo goed dat ik gewoon gedwongen was om het laatste album, No End Of The Line, van zijn band 